Tegenstellingen:  schrijf de goede tegenstelling  naast het woord.  De eerste is al klaar.

 

laag, buiten, lelijk, klein, lachen, nat koud,

 

 

groot

……………….

binnen

………………..

droog

………………….

mooi

…………………….

warm

…………………

hoog

....laag…..

huilen

……………………

 

 

 

terug