kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.
kies:
De kleine jongen verft de tol.
De poes ziet hoe hoog de bal springt.
De bal en de tol praten niet meer met elkaar.
De tol is weer gevonden en ze gaan er weer mee spelen.
De bal en de tol liggen in de speelgoedkist.
“Ik ben gemaakt van heel bijzonder leer.”
In de vuilnisbak ligt heel veel viezigheid en troep.
De bal is kapot en verkleurd.
De bal probeert naar de zwaluw te springen.
De tol heeft heel veel verdriet, omdat de bal weg is.
De bal gaat steeds hoger en hoger.
Het dienstmeisje vindt de tol in de vuilnisbak.
“Heb je gezien hoe mooi ik kan tollen?”
De tol is nu helemaal verguld.
Het meisje zoekt naar de tol, maar ze kan hem niet vinden.