resultaten register

poster 31-34. 25


Maak een goede zin.
1. hij weet het - doen aan het - Rachid - zou eventueel - mee willen - schoolvoetbaltournooi, maar - nog niet zeker.


2. bij het opruimen? - Kun - morgen een - dagje helpen - jij eventueel


3. negatief. - Hij - De leerlingen - een schoolfeest - organiseren - maar de directeur besliste - vond het niet goed.- wilden


4. van die - De houding - - ergens aan - jongen in de klas - was negatief. Hij - meedoen.- wilde nooit


5. dat je ziek bent, - Als - je - denkt - een - dokter raadplegen.- moet je


6. niet weet. -Het is - een woordenboek - als je de - betekenis van - een woord - slim om - te raadplegen


7. afzonderlijk. - Mijn broer - en ik gaan - samen op vakantie. We - gaan ieder - dit jaar niet


8. afzonderlijk naar - Sandra en Maria - gingen ieder - school. De een - de bus, - de ander met de tram. - ging met


9. toelichten. Dan - Soms moet je - moet je uitleggen - waarom je - gegeven hebt.- een antwoord - dat antwoord


10. van de wijkbewoners - De burgemeester- de bibliotheek dicht moest. - lichtte in een vergadering - toe waarom